ECLI:NL:CRVB:2012:BY5276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering Ziektewet-uitkering wegens onjuiste benadelingshandeling
Appellante was sinds 2001 in dienst bij haar werkgever en viel in januari 2008 wegens ziekte uit. In juni 2008 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij het dienstverband per september 2008 werd beëindigd vanwege de sluiting van de vestiging in haar woonplaats. Het UWV weigerde haar Ziektewet-uitkering omdat zij haar dienstverband had beëindigd tijdens ziekte en onvoldoende had gedaan om haar baan te behouden, hetgeen werd gekwalificeerd als benadelingshandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat sprake was van een benadelingshandeling op grond van artikel 45 ZW Pro. De rechtbank vond het opzegverbod tijdens ziekte niet absoluut, maar stelde dat appellante verweer had kunnen voeren tegen ontbinding. De reisafstand naar de nieuwe vestiging maakte voortzetting van de arbeid niet onredelijk.
In hoger beroep stelde appellante dat een beroep op het opzegverbod in een ontbindingsprocedure kansloos was, omdat de werkzaamheden waren verplaatst en de vestiging gesloten. Het UWV stelde dat appellante wel verweer had kunnen voeren en dat sprake was van benadelingshandeling.
De Raad oordeelde dat de beëindiging van het dienstverband niet samenhing met ziekte of re-integratieverplichtingen, en dat het onredelijk was van appellante te verlangen haar werkzaamheden op de nieuwe locatie voort te zetten. De kans dat een kantonrechter een ontbindingsverzoek zou afwijzen wegens het opzegverbod was verwaarloosbaar klein. Daarom was geen sprake van een benadelingshandeling en was het besluit van het UWV onjuist. Het UWV werd opgedragen het besluit te herzien en een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV dat de Ziektewet-uitkering werd geweigerd wegens benadelingshandeling is vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.