ECLI:NL:CRVB:2012:BW3706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling maatvrouwloon en toepassing artikel 44 WAO
Appellante, werkzaam als verpleeghuisarts in opleiding, was arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering die het UWV met terugwerkende kracht aanpaste op grond van artikel 44 van Pro de WAO. In geschil stond de juiste vaststelling van het maatvrouwloon en de maatvrouwomvang, alsmede de toepassing van de anticumulatiebepaling met terugwerkende kracht.
De rechtbank had het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij het maatvrouwloon gebaseerd moest worden op de functie van verpleeghuisarts (functieschaal 70) en niet op de opleidingfunctie (functieschaal 65). De Raad bevestigt dit oordeel, maar wijst het beroep af voor zover het ziet op een 36-urige werkweek in plaats van 32 uur en het meenemen van overwerk in het maatvrouwloon. Het feitelijk overeengekomen loon en de feitelijke arbeidsduur zijn bepalend, niet de CAO-normen of intenties.
Verder oordeelt de Raad dat het UWV het beleid omtrent de toepassing van artikel 44 WAO Pro met terugwerkende kracht op consistente wijze heeft toegepast en dat appellante geen voldoende gronden heeft aangevoerd om dit beleid aan te vechten. De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat het UWV opdraagt een nieuw besluit te nemen en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het UWV mag het maatvrouwloon en de toepassing van artikel 44 WAO zoals vastgesteld handhaven.