ECLI:NL:CRVB:2012:BX1005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling college tot vergoeding proceskosten in bezwaar wegens onrechtmatigheid besluit bijzondere bijstand
Appellant had bij het college een verzoek ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een huurschuld, toegekend als geldlening met maandelijkse aflossing. Het college stelde de aflossingsverplichting in op 1 maart 2009 met een bedrag van € 44,94 per maand. Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en de hoogte van de aflossing.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit voor zover de aflossingsverplichting vanaf 1 maart 2009 werd vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het college in strijd met het eigen beleid had gehandeld, omdat het inkomen van appellant al onder de beslagvrije voet zat door een andere betalingsregeling. De rechtbank bepaalde dat de aflossingsverplichting pas ingaat zodra appellant zijn schuld aan het CJIB niet meer aflost.
In hoger beroep richt appellant zich tegen de weigering van vergoeding van de kosten van behandeling van het bezwaar. De Raad stelt vast dat het besluit is herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid en dat de kosten van professionele rechtshulp als redelijk worden aangemerkt. Daarom vernietigt de Raad het deel van de uitspraak waarin de rechtbank het college niet veroordeelde in de kosten van appellant in bezwaar en veroordeelt het college alsnog tot vergoeding van deze kosten en de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in bezwaar en hoger beroep wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid.