ECLI:NL:CRVB:2014:3080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. de Mooij
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek maatschappelijke opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekster met kind
Appellante, een vrouw afkomstig uit Tibet, is na afwijzing van haar asielaanvraag en beroep in Nederland uitgeprocedeerd. Zij verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om maatschappelijke opvang, welke werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Appellante wees op haar minderjarige zoon en het arrest van de Hoge Raad dat een zorgplicht voor uitgeprocedeerde minderjarige kinderen en hun moeder zou inhouden. Ondanks bezwaar en hoorzitting bevestigde het college het afwijzingsbesluit. De voorzieningenrechter stelde dat appellante gebruik kan maken van opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL), hetgeen zij weigerde.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie en oordeelt dat appellante de opvangvoorzieningen binnen het vreemdelingenrecht had moeten benutten. Haar weigering om met de Dienst Terugkeer en Vertrek in gesprek te gaan is voor haar eigen risico. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om maatschappelijke opvang afgewezen.