ECLI:NL:CRVB:2012:BX6600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening bijstandsbesluit ondanks terugwerkende verblijfsvergunning
Appellanten, die met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning hebben verkregen, verzochten het college om bijstand met terugwerkende kracht vanaf februari 2004 toe te kennen. Het college had de bijstand destijds beëindigd vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus. De rechtbank had het beroep van appellanten tegen de weigering van herziening ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de WWB in beginsel geen bijstand verleent over perioden voorafgaand aan de aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het verkrijgen van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht kan een bijzondere omstandigheid zijn, mits aannemelijk wordt gemaakt dat derden in de noodzakelijke kosten van het bestaan hebben voorzien en dat appellanten daardoor schulden met een concrete terugbetalingsverplichting zijn aangegaan.
Appellanten konden echter niet aantonen dat zij dergelijke schulden hadden, mede omdat de onderhandse leningen niet schriftelijk waren vastgelegd en de overgelegde stukken onvoldoende bewijs leverden dat de schulden in de relevante periode waren aangegaan om in het levensonderhoud te voorzien. Het college en de rechtbank hadden appellanten niet hoeven te verzoeken om aanvullende stukken, omdat het aan appellanten was om hun stellingen tijdig te onderbouwen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering tot herziening van het besluit tot beëindiging van bijstand met terugwerkende kracht blijft in stand.