Appellante, met de Marokkaanse nationaliteit, had bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet, maar het college wees dit af vanwege het ontbreken van een verblijfstitel. Na het verkrijgen van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 17 juli 2015, vroeg zij opnieuw bijstand aan met ingang van die datum. Het college kende bijstand toe vanaf 3 april 2017 en herzag dit besluit later deels met terugwerkende kracht tot 12 februari 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze herziening ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid niet volledig op haar rust vanwege haar verblijfsstatus, maar de Raad verwierp dit. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij de aanvrager ligt, ook bij terugwerkende kracht, en dat zij aannemelijk moet maken dat zij kosten van levensonderhoud heeft gemaakt die niet zijn gedekt.
Appellante voerde aan dat zij niet over de middelen beschikte en verwees naar betalingsachterstanden en beleningsovereenkomsten. De Raad oordeelde dat deze documenten geen bewijs vormen dat derden in haar levensonderhoud hebben voorzien en dat zij schulden heeft gemaakt die terugbetaald moeten worden. Er waren geen aanwijzingen dat zij in de periode van 17 juli 2015 tot 12 februari 2016 bijstandbehoevend was. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.