ECLI:NL:CRVB:2012:BX7633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op vertrouwensbeginsel bij vaststelling WAO-uitkering na herbeoordeling
Appellant, voorheen beveiligingsbeambte, ontving sinds 1990 een WAO-uitkering van 35-45% arbeidsongeschiktheid vanwege overspannenheid. Na een herbeoordeling in 2008 werd door een arbeidsdeskundige aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 80-100% gecommuniceerd, maar dit bleek een vergissing. Het UWV stelde de uitkering bij besluit van 17 december 2008 ongewijzigd vast op 35-45%.
Appellant voerde bezwaar aan tegen deze vaststelling en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat hij op basis van de brief van 3 december 2008 mocht vertrouwen op een hogere uitkering. De rechtbank vernietigde het besluit deels vanwege onvoldoende onderzoek naar het verband tussen psychische en fysieke klachten en onduidelijkheid over de datum van toename, maar verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dat geen sprake was van een onvoorwaardelijke toezegging, mede omdat de arbeidsdeskundige de vergissing snel herstelde en er geen definitief besluit was genomen. Ook was er geen betaling op basis van de hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op 35-45% per 24 november 2008, mede gelet op medische rapportages en het ontbreken van bewijs voor een eerdere toename van de fysieke klachten.
De Raad oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel terecht werd verworpen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de WAO-uitkering op 35-45% blijft gehandhaafd.