ECLI:NL:CRVB:2012:BY2390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand na ontvangst erfenis zelfstandigen
Appellanten, zelfstandigen die bijstand ontvingen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), ontvingen een erfenis van ongeveer €30.000. Na ontvangst van een voorschot op deze erfenis beëindigde het college de bijstand en vorderde het de verstrekte bijstand terug, omdat appellanten zelf in de kosten van bestaan konden voorzien.
De rechtbank Amsterdam vernietigde een besluit tot terugvordering op grond van een onjuiste wettelijke grondslag, maar verklaarde de overige beroepen ongegrond. Appellanten stelden dat hun vermogen niet boven de vermogensgrens uitkwam en dat de betaling van de erfenis aan het bedrijfskapitaal moest worden toegerekend, waardoor zij recht hadden op voortzetting van de bijstand.
De Centrale Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde, omdat het vermogen niet noodzakelijk was voor het bedrijf en appellanten daardoor niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. De aanwijzing van appellanten voor toerekening van betaling werd niet gevolgd vanwege het complementaire karakter van de bijstandswetgeving. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn niet was overschreden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand na ontvangst van een erfenis en wijst het verzoek om schadevergoeding af.