ECLI:NL:CRVB:2013:CA1973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand zelfstandige wegens vermogen niet noodzakelijk voor bedrijf
Appellante heeft op 7 oktober 2010 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) vanwege verslechterde economische omstandigheden van haar bedrijf. Het dagelijks bestuur wees deze aanvraag af omdat zij beschikte over een vermogen van €29.279,57 dat niet noodzakelijk was voor de bedrijfsuitoefening, zodat zij daarmee in haar kosten van levensonderhoud kon voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat een deel van haar vermogen, namelijk het tegoed op een spaarrekening van €20.095,87, bestemd was voor pensioenvoorziening en daarom buiten beschouwing moest blijven. Tevens stelde zij dat het noodzakelijke vermogen voor haar bedrijf te laag was vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het tegoed op de spaarrekening niet gelijkgesteld kon worden met een fiscaal gefaciliteerde pensioenvoorziening, omdat het geld vrij opneembaar was en niet met het oog op pensioen was bestemd. Hierdoor beschikte appellante over voldoende vermogen om in haar levensonderhoud te voorzien en had zij geen recht op bijstand. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellante beschikt over niet-noodzakelijk vermogen waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien.