ECLI:NL:CRVB:2015:166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.C.F. Talman
- Y.J. Klik
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag algemene bijstand zelfstandigen wegens niet-noodzakelijke tweede auto
Betrokkene 1 exploiteert sinds 1999 een zelfstandig bureau en had vanaf januari 2011 geen opdrachten meer, terwijl betrokkene 2 beperkt schoonmaakwerk verrichtte. Zij vroegen algemene bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), maar de aanvraag werd afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar was en betrokkenen de mogelijkheid hadden om een van hun twee auto's te verkopen.
De rechtbank oordeelde dat de afwijzing onvoldoende was gemotiveerd en dat appellant het vermogen van betrokkenen had moeten onderzoeken. Na vernietiging van het besluit door de rechtbank, stelde appellant het beroep in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het Bbz 2004 een afwijkende vermogenstoets kent ten opzichte van de WWB, waarbij het voor het bedrijf noodzakelijke vermogen buiten beschouwing blijft, maar niet de vrijlating van bescheiden vermogen zoals bij gewone bijstandsgerechtigden.
De Raad concludeerde dat de tweede auto niet noodzakelijk was voor het bedrijf en redelijkerwijs verkocht kon worden, waardoor betrokkenen voldoende middelen hadden om in hun bestaan te voorzien. Daarom was de afwijzing van de bijstand terecht en werden de eerdere uitspraken vernietigd. Het beroep tegen het besluit werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van algemene bijstand wordt ongegrond verklaard vanwege het niet-noodzakelijke bezit van de tweede auto.