ECLI:NL:CRVB:2012:BY2970

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-143 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34.1a WWBArt. 58, eerste lid, aanhef en onder f, WWBArt. 6:18 AwbArt. 6:19, eerste lid, AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens na erfenis

Appellante ontving bijstand en ouderdomspensioen en kreeg in 2005 de beschikking over de nalatenschap van haar echtgenoot. Het college stelde vast dat zij daardoor de vermogensgrens overschreed en trok haar bijstand in vanaf mei 2005, met terugvordering van gemaakte kosten.

Appellante voerde aan dat zij ten onrechte als erfgenaam was aangemerkt en dat het vermogen op een spaarrekening niet van haar was. De rechtbank bevestigde het standpunt van het college, maar oordeelde dat het college niet had vastgesteld of de vermogensgrens gedurende de hele periode werd overschreden.

De Raad bevestigt dat appellante feitelijk over het vermogen beschikte vanaf 25 mei 2005, ondanks latere erkenning van onjuiste erfgenaamschap. De tegoeden op de spaarrekening behoren tot haar vermogen. Wel oordeelt de Raad dat de intrekking en terugvordering over december 2007 onterecht is, omdat het vermogen toen niet de grens overschreed.

Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over teveel teruggevorderde bedragen en tot betaling van proceskosten en griffierecht. Het beroep wordt deels gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag aangepast.

Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard, de intrekking en terugvordering over december 2007 worden vernietigd en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op €4.680,08.

Uitspraak

10/143 WWB, 12/5312 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 november 2009, 09/433 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (college)
Datum uitspraak 13 november 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.F.A.M. Collart, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Namens appellante is
mr. Collart verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L. Slegers.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt vanaf maart 2000 ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor een ongehuwde en daarnaast aanvullende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. Uit een in 2008 ontvangen belastingsignaal is het college gebleken dat appellante naast de opgegeven bankrekening tevens beschikt over drie bankrekeningen met daarop een tegoed op 31 december 2005 van in totaal € 12.970,--. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat appellante gelden heeft ontvangen uit de nalatenschap van haar op 14 mei 2005 overleden echtgenoot. Uit de opgevraagde gegevens is gebleken dat de nalatenschap ten minste € 20.000,-- bedroeg, waarvan na aftrek van kosten van crematie, asverstrooiing en notaris een bedrag van € 14.845,-- resteerde. Vastgesteld is dat appellante over laatstgenoemd bedrag kon beschikken vanaf 25 mei 2005, op welke datum de verklaring van erfrecht is afgegeven. Na aftrek van het kindsdeel waarop de zoon van appellante als erfgenaam van zijn vader recht had, overschreed het vermogen van appellante op 14 mei 2005 de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen (vrijlatingsgrens) met € 6.028,75.
1.3. Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand over de periode 14 mei 2005 tot en met 24 mei 2005 van appellante teruggevorderd. Voorts is de bijstand over de periode van 25 mei 2005 tot en met 30 november 2007 ingetrokken, de bijstand over de maand december 2007 herzien en zijn de over deze periode gemaakte kosten van bijstand eveneens van appellante teruggevorderd. Het totale bedrag van de terugvordering is vastgesteld op € 6.880,49 bruto. Bij besluit van 23 december 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2008 in zoverre gegrond verklaard dat de terugvordering van bijstand over de periode van 14 mei 2005 tot en met 24 mei 2005 niet langer wordt gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante, zoals zij in bezwaar heeft aangevoerd, ten onrechte is aangemerkt als erfgename, omdat zij en haar echtgenoot van tafel en bed gescheiden waren en hun zoon de enig erfgenaam is. Om die reden is ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB. Het besluit van 14 augustus 2008 is voor het overige gehandhaafd, omdat appellante met ingang van 25 mei 2005 de beschikking heeft gekregen over de middelen uit de nalatenschap, waarmee zij in de noodzakelijke kosten van het bestaan kon voorzien. Daaraan doet niet af dat de zoon van appellante inmiddels een vordering op appellante heeft gekregen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van het college onderschreven dat appellante met ingang van 25 mei 2005 de beschikking heeft gekregen over de nalatenschap van haar echtgenoot en dat haar vermogen op die datum de vrijlatingsgrens overschreed, zodat zij vanaf die datum geen recht op bijstand had. Het college heeft evenwel ten onrechte niet vastgesteld of het vermogen van appellante in de gehele periode van 25 mei 2005 tot en met 31 december 2007 de vrijlatingsgrens heeft overschreden. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
3. Appellante heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellante is primair van mening dat de erfenis niet tot haar vermogen behoort, omdat zij in 2005 ten onrechte als erfgenaam is aangemerkt. In dit verband heeft appellante beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 18 september 2007, LJN BB3921. Subsidiair is appellante van mening dat, achteraf bezien, de erfenis ten onrechte aan haar is betaald, dat de vernietiging van deze rechtshandeling ingevolge artikel 3:53, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek terugwerkt tot het tijdstip waarop deze rechtshandeling is verricht, zodat zij ook op die grond vanaf 25 mei 2005 niet heeft beschikt over een vermogen dat de vermogensgrens overschreed. Daarnaast stelt appellante zich op het standpunt dat de AEX spaarrekening met nummer [nr.] van haar zoon is, zodat bij de vaststelling van haar vermogen ten onrechte rekening is gehouden met het tegoed op deze rekening. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423 voert appellante aan dat het college niet had mogen overgaan tot terugvordering, omdat achteraf is vastgesteld dat zij nooit over een vermogen boven de vermogensgrens heeft beschikt. Ten slotte heeft appellante de Raad verzocht het college te veroordelen in de door haar geleden dan wel te lijden schade.
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 19 september 2012 het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2008 in zoverre gegrond verklaard dat de intrekking van bijstand wordt gehandhaafd over de periode van 25 november 2005 tot en met 31 december 2007. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het ontvangen vermogen als gevolg waarvan zij in die periode vanwege de overschrijding van de vermogensgrens geen recht op bijstand had en het recht op bijstand over de maand juli 2007 vanwege ontbrekende bankafschriften niet kan worden vastgesteld. De gemaakte kosten van bijstand over deze periode worden tot een bedrag van € 4.878,44 van appellante teruggevorderd. De Raad zal dit besluit, met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aangevallen uitspraak
5.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, eerste volzin, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.
5.2. Het oordeel van de rechtbank dat appellante met ingang van 25 mei 2005 de beschikking heeft gekregen over de nalatenschap van haar echtgenoot, kan worden onderschreven. Op 25 mei 2005 is een notariële verklaring van erfrecht opgemaakt, inhoudende dat appellante en haar zoon ieder voor de helft erfgenaam zijn, dat zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard en dat appellante, met uitsluiting van ieder ander, zelfstandig bevoegd is om te beschikken over de goederen behorende tot de nalatenschap van de overledene. Eerst in de loop van 2008 heeft appellante onderkend dat zij ten onrechte als erfgenaam van haar echtgenoot is aangemerkt. Als uitvloeisel daarvan zijn appellante en haar zoon op 21 oktober 2008 overeengekomen dat appellante in 18 maandelijkse termijnen het bedrag van de ontvangen erfenis dat resteert na aftrek van de gemaakte kosten en de drie schenkingen van appellante aan haar zoon in de jaren 2005, 2006 en 2007 aan hem zal terugbetalen. Daaruit volgt dat appellante op 25 mei 2005 ten titel van erfgenaam de beschikking heeft gekregen over het vermogen uit de nalatenschap. De omstandigheid dat in 2008 is onderkend dat appellante in 2005 ten onrechte als erfgenaam van haar echtgenoot is aangemerkt, kan er niet toe leiden dat zij geacht moet worden nimmer over dit vermogen te hebben beschikt. Dit laat immers onverlet dat appellante totdat zij onderkende dat zij geen erfgenaam was, feitelijk over dat vermogen heeft beschikt. De door appellante verrichte schenkingen geven daarvan ook blijk. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 28 september 2007, LJN BB3921 kan niet slagen, omdat in die uitspraak de vraag aan de orde was op welk moment de aanspraken op een erfdeel uit een nalatenschap ontslaan en niet of vermogensbestanddelen, waarop achteraf bezien geen recht bestonden, geacht moeten worden nimmer tot het vermogen van de betrokkene te hebben behoord. Dit betekent tevens dat het subsidiaire standpunt van appellante niet wordt onderschreven.
5.3. Het standpunt van appellante dat genoemde AEX spaarrekening ook vanaf 25 november 2005 uitsluitend haar zoon toebehoorde, zodat het tegoed op deze rekening ten onrechte tot haar vermogen wordt gerekend, kan evenmin worden onderschreven. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 augustus 2009, LJN BJ5991) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Uit de gedingstukken blijkt dat de
AEX spaarrekening eerst op naam van de zoon van appellante stond. De afschriften vanaf 25 november 2005 vermelden evenwel uitsluitend de naam en het adres van appellante. Bovendien stond de aan deze spaarrekening gekoppelde privérekening [nr.], de bankrekening van de erflater, in eerste instantie op naam van appellante en haar zoon en vanaf eind 2005 uitsluitend op naam van appellante. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tegoed op deze AEX spaarrekening vanaf 25 november 2005 niet haar, maar haar zoon toebehoorde.
5.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
Het besluit van 19 september 2012
5.5. De intrekking van de bijstand over de periode van 25 november 2005 tot en met 31 december 2007 berust, behoudens de maand juli 2007, op het standpunt dat appellante in deze periode de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college geen opgave te doen van drie bankrekeningen en het vermogen van appellante dat de vermogensgrens overschreed, zodat zij in die periode geen recht op bijstand had. Zoals besproken ter zitting, kan op basis van een opgave van ABN Amro Bank van 3 juli 2007 het vermogen van appellante in de maand juli 2007 worden vastgesteld en overschreed haar vermogen ook in die maand de vermogensgrens, zodat zij ook over die maand geen recht op bijstand had. De tegoeden op de niet-opgegeven bankrekeningen, waaronder, zoals in 5.3 overwogen, de AEX spaarrekening, moeten worden toegerekend aan het vermogen van appellante. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante erkend dat met de tegoeden op deze bankrekeningen in de periode van 25 november 2005 tot en met 30 november 2007 de vermogensgrens werd overschreden. De gemachtigde van het college heeft ter zitting erkend dat het vermogen van appellante in de maand december 2007 niet zodanig was dat de vermogensgrens werd overschreden en dat ten onrechte is overgegaan tot intrekking en terugvordering van bijstand over die maand.
5.6. Appellante heeft aangevoerd dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken omdat zij, zoals achteraf vastgesteld, geen recht had op de erfenis van haar echtgenoot, zodat zij nimmer heeft beschikt over een vermogen waarmee de vermogensgrens werd overschreden. Zoals in 5.2 is overwogen, kan dit standpunt niet worden onderschreven. Om die reden kan het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423 niet slagen. Bovendien heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door haar voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest.
5.7. Uit hetgeen in 5.5 en 5.6 is overwogen vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 19 september 2012 gegrond moet worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij de intrekking van bijstand van appellante over de maand december 2007 is gehandhaafd en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.878,44 van appellante zijn teruggevorderd. Nu de gemaakte kosten van bijstand over de maand december 2007 tot een bedrag van € 198,36 van appellante zijn teruggevorderd, kan de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en wordt het bedrag van de terugvordering op € 4.680,08 vastgesteld.
5.8. Appellante heeft verzocht het college te veroordelen in de door haar geleden dan wel nog te lijden schade als gevolg van de intrekking en terugvordering van bijstand. Appellante stelt, zo begrijpt de Raad, dat zij materiële schade heeft geleden doordat zij het bedrag van € 4.878,44 inmiddels geheel heeft afgelost. Voor zover het college als gevolg van het onrechtmatige besluit van 19 september 2012 inmiddels meer heeft ingevorderd dan € 4.680,08 komt het verzoek van appellante om het college met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente voor toewijzing in aanmerking. Het college zal appellante op de teveel terugbetaalde bedragen de wettelijke rente moeten vergoeden. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag van de onrechtmatige terugbetaling, tot aan de dag der algehele voldoening van deze teveel terugbetaalde bedragen. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente (vergelijk CRvB 25 januari 2012, LJN BV1958).
6. Ten slotte ziet de Raad aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- aan verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 september 2012 gegrond;
- vernietigt dat besluit voor zover daarbij de intrekking van bijstand van appellante over de
maand december 2007 is gehandhaafd en de gemaakte kosten van bijstand over de periode
van 25 november 2005 tot en met 31 december 2007 tot een bedrag van € 4.878,44 zijn
teruggevorderd;
- stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 4.680,08;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 september 2012;
- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellante van wettelijke rente als onder 5.8
omschreven;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,--, te
betalen aan de griffier van de Raad;
- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) J. de Jong
HD