ECLI:NL:CRVB:2012:BY2970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- M.F. Wagner
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens na erfenis
Appellante ontving bijstand en ouderdomspensioen en kreeg in 2005 de beschikking over de nalatenschap van haar echtgenoot. Het college stelde vast dat zij daardoor de vermogensgrens overschreed en trok haar bijstand in vanaf mei 2005, met terugvordering van gemaakte kosten.
Appellante voerde aan dat zij ten onrechte als erfgenaam was aangemerkt en dat het vermogen op een spaarrekening niet van haar was. De rechtbank bevestigde het standpunt van het college, maar oordeelde dat het college niet had vastgesteld of de vermogensgrens gedurende de hele periode werd overschreden.
De Raad bevestigt dat appellante feitelijk over het vermogen beschikte vanaf 25 mei 2005, ondanks latere erkenning van onjuiste erfgenaamschap. De tegoeden op de spaarrekening behoren tot haar vermogen. Wel oordeelt de Raad dat de intrekking en terugvordering over december 2007 onterecht is, omdat het vermogen toen niet de grens overschreed.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over teveel teruggevorderde bedragen en tot betaling van proceskosten en griffierecht. Het beroep wordt deels gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag aangepast.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard, de intrekking en terugvordering over december 2007 worden vernietigd en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op €4.680,08.