ECLI:NL:CRVB:2012:BY5787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit bijstand wegens onvoldoende grondslag gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en het college vorderde terugbetaling over diverse perioden wegens vermeende gezamenlijke huishouding met haar ex-partner [P.]. De rechtbank had het terugvorderingsbesluit vernietigd wegens getrapte besluitvorming, waarna het college een nieuw terugvorderingsbesluit nam.
In hoger beroep stelde appellante dat onvoldoende feiten bestonden om te concluderen dat zij en [P.] vanaf 1 april 2006 samenwoonden. De Raad oordeelde dat verklaringen van buurtbewoners onvoldoende concreet waren voor de periode tot 29 augustus 2008, maar dat vanaf die datum wel voldoende bewijs bestond voor gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigde het terugvorderingsbesluit over de periode 1 april 2006 tot 29 augustus 2008 en herroept het eerdere besluit van het college over die periode. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, inclusief een beoordeling van het verzoek om renteschade. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit over de periode 1 april 2006 tot 29 augustus 2008 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.