ECLI:NL:CRVB:2012:BY6418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Verblijfsrecht en kinderbijslag voor familielid van EU-burger volgens artikel 20 VWEU
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, heeft kinderen met de Nederlandse nationaliteit. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde haar kinderbijslag toe te kennen wegens het ontbreken van een verblijfsrecht zoals vereist in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De Raad beoordeelde of appellante op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een verblijfsrecht kan ontlenen, afgeleid van het verblijfsrecht van haar kinderen die EU-burgers zijn. Hierbij werd aansluiting gezocht bij de arresten Ruiz Zambrano en Dereci van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin het recht op verblijf wordt beschermd om het effectieve genot van EU-burgerschapsrechten te waarborgen.
De Raad concludeerde dat indien het weigeren van verblijf aan appellante ertoe leidt dat haar kinderen het grondgebied van de Unie moeten verlaten, appellante een verblijfsrecht toekomt. De Svb moet dit in overleg met de staatssecretaris onderzoeken. Omdat de bestreden besluiten niet deugdelijk waren gemotiveerd, vernietigde de Raad deze en beval nieuwe beslissingen op bezwaar. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd en de Svb wordt opgedragen nieuwe beslissingen te nemen rekening houdend met het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU.