ECLI:NL:CRVB:2012:BY6617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens door onroerend goed in Suriname
Appellante ontving sinds 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Na een anonieme tip werd onderzoek ingesteld waaruit bleek dat zij eigenaar was van een perceel en woning in Suriname met een gezamenlijke waarde van circa €127.500. Het college trok de bijstand over meerdere perioden in en vorderde de kosten terug wegens overschrijding van de vermogensgrens en schending van de inlichtingenverplichting.
Appellante voerde aan dat zij niet wist dat zij eigenaar was omdat zij dacht een testament te hebben opgesteld en dat zij onder druk de koopakte had getekend. Ook betwistte zij de waarde van het onroerend goed en stelde dat er een schuld aan haar moeder bestond die in mindering gebracht moest worden. De Raad wees het verzoek om haar moeder als getuige te horen af vanwege het late tijdstip en aanwezige schriftelijke verklaring.
De Raad oordeelde dat het perceel en de woning in het hypotheekregister op naam van appellante staan en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij er niet over kon beschikken. De koopakte, waarin de eigendomsoverdracht is vastgelegd, is rechtsgeldig en ondertekend na voorlezing in begrijpelijke taal. De verklaring van haar moeder is onvoldoende onderbouwd. De waarde van het onroerend goed zoals vastgesteld door een beëdigd taxateur wordt niet betwist. De schuld aan haar moeder is niet aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten. Er zijn geen redenen om van terugvordering af te zien en het hoger beroep slaagt niet.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten worden bevestigd wegens bezit van onroerend goed en schending van de inlichtingenverplichting.