ECLI:NL:CRVB:2013:1014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand van 1997 tot 2010, waarbij appellante aanvankelijk bijstand kreeg als alleenstaande ouder. In 2009 meldde de politie dat appellant een ander adres had opgegeven dan bekend bij de gemeente, wat leidde tot een onderzoek door de sociale recherche. Dit onderzoek concludeerde dat appellanten vanaf 12 maart 1999 tot 1 maart 2010 een gezamenlijke huishouding voerden.
Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer trok daarom bijstand van appellante in en vorderde de kosten terug, ook van appellant. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, stellende dat de onderzoeksbevindingen voldoende bewijs boden voor de gezamenlijke huishouding.
Appellanten voerden aan dat het waterverbruik niet overeenkwam met een gezamenlijke huishouding en verwezen naar een strafrechtelijk arrest dat de periode van gezamenlijke huishouding beperkte. De Raad verwierp deze gronden, benadrukkend dat bestuursrechtelijke procedures een andere rechtsvraag en bewijsrecht kennen dan strafrechtelijke zaken. De Raad concludeerde dat de intrekking en terugvordering terecht waren en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.