ECLI:NL:CRVB:2013:1105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens ontvangen studiefinanciering
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met onderbrekingen sinds 2004. Uit onderzoek bleek dat appellant gedurende de periode van 1 september 2006 tot en met mei 2008 studiefinanciering ontving, waarvan een deel ten onrechte was toegekend en moet worden terugbetaald.
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand over deze periode in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug. Appellant maakte bezwaar, stellende dat het feit dat hij studiefinanciering moest terugbetalen niet betekent dat er sprake was van een passende en toereikende voorliggende voorziening.
De Raad oordeelde dat de Wet studiefinanciering 2000 als een passende en toereikende voorliggende voorziening geldt. Omdat appellant feitelijk studiefinanciering ontving, beschikte hij over voldoende middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien en had hij geen recht op bijstand. Het feit dat de studiefinanciering onterecht was en terugbetaald moet worden, doet hieraan niet af. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens feitelijk ontvangen studiefinanciering.