ECLI:NL:CRVB:2013:1149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag wegens ongewenst gedrag
Appellant was sinds februari 2009 in dienst bij de gemeente Bunschoten en nam deel aan een personeelsuitje in september 2009. Tijdens deze zeiltocht werden klachten geuit over ongewenste intimiteiten door appellant jegens vrouwelijke collega’s. Een onderzoek bevestigde deze gedragingen, waarna appellant in maart 2010 op grond van plichtsverzuim werd ontslagen. Dit ontslag werd in een eerdere procedure door de Raad bevestigd en is onherroepelijk.
Appellant ontving een Ziektewetuitkering tot september 2010 en vroeg vervolgens een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht aannam dat de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro had, gelet op het ernstige plichtsverzuim en het risico voor andere medewerkers. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat het college van burgemeester en wethouders het gedrag van appellant vanaf het begin serieus nam, onder meer door hem onder voorwaarden thuis te laten werken. Het ontslagproces verliep zorgvuldig en binnen redelijke termijnen. Het feit dat appellant niet onmiddellijk werd geschorst of ontslagen, doet niet af aan de dringende reden. Er is geen aanleiding om van het eerdere oordeel af te wijken dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en daarom geen WW-uitkering toekomt.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door ernstig plichtsverzuim.