In deze zaak stond centraal of appellant recht had op een WW-uitkering vanaf 1 december 2010 dan wel vanaf de datum waarop hij zijn zelfstandige werkzaamheden staakte. De Raad stelde vast dat appellant zijn onderneming pas op 16 december 2010 had beëindigd en daarmee op die datum het werknemerschap had herkregen.
Het UWV had aanvankelijk geweigerd de WW-uitkering toe te kennen per 1 december 2010, omdat appellant toen nog actief was als zelfstandige. De Raad oordeelde dat het besluit van het UWV niet deugdelijke was gemotiveerd en vernietigde het. Vervolgens werd het gewijzigde besluit eveneens vernietigd omdat het niet had beslist dat appellant vanaf 16 december 2010 recht had op WW.
De Raad bepaalde dat appellant vanaf 16 december 2010 aanspraak maakt op een WW-uitkering van 75% van het toen geldende maximumdagloon, zijnde €140,83 bruto per dag. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en kosten van rechtsbijstand. Het verzoek om schadevergoeding wegens investeringen werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.