ECLI:NL:CRVB:2013:CA0751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling en zelfstandige werkzaamheden
Appellant heeft zijn arbeidsovereenkomst met werkgever beëindigd met een overeengekomen einddatum van 1 januari 2011, later vervroegd naar 1 juli 2010. Op die dag startte appellant een eigen onderneming en vroeg een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering primair omdat appellant door zijn zelfstandige werkzaamheden zijn werknemerschap zou hebben verloren, en subsidiair wegens verwijtbare werkloosheid en een benadelingshandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateert dat het UWV geen feitelijk onderzoek heeft gedaan naar de omvang van de zelfstandige werkzaamheden van appellant. De aanname dat hij vanaf 1 juli 2010 volledig als zelfstandige werkte, is niet onderbouwd. Hierdoor voldoet het besluit niet aan de motiveringseis van de Algemene wet bestuursrecht.
Verder is vastgesteld dat appellant door het verzoek aan werkgever om de arbeidsovereenkomst eerder te beëindigen een benadelingshandeling heeft gepleegd, waardoor hij zijn loonaanspraak over een langere periode heeft prijsgegeven zonder noodzaak. Dit rechtvaardigt slechts een tijdelijke weigering van de WW-uitkering.
De Raad draagt het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen en een nieuwe beslissing te nemen, waarbij een tijdelijke weigering van de uitkering tot 1 september 2010 passend is. Het onderzoek naar de zelfstandige werkzaamheden kan beperkt blijven tot de periode vanaf die datum.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen en een tijdelijke weigering van de WW-uitkering tot 1 september 2010 te hanteren.