ECLI:NL:CRVB:2013:1615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. de Mooij
- W.H. Bel
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget na eerdere intrekking wegens zelfstandige huishoudelijke werkzaamheden
Appellante had eerder een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging toegekend gekregen, dat door het college werd ingetrokken na een onderzoek waaruit bleek dat zij schoonmaakwerkzaamheden voor derden verrichtte. Na intrekking vroeg zij opnieuw een pgb aan, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een hernieuwde toekenning rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het college ten onrechte artikel 4:6 Awb Pro als beoordelingsgrondslag hanteerde, omdat het hier geen herhaalde maar een nieuwe aanvraag betrof. Hierdoor werd de beoordelingsmaatstaf onjuist toegepast en moest het bestreden besluit worden vernietigd.
Desondanks oordeelde de Raad dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar situatie zodanig was gewijzigd dat zij opnieuw in aanmerking kwam voor een pgb. De medische stukken onderbouwden niet dat zij niet meer in staat was huishoudelijke taken zelfstandig te verrichten, mede omdat zij sinds 2006 werkzaamheden voor derden verrichtte.
De Raad bevestigde daarom dat het college de aanvraag terecht had afgewezen en dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een persoonsgebonden budget is terecht afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden.