Conclusie
1.Overzicht van de zaken en de conclusie
Eén conclusie in twee zaken
(i)dat Werkneemster geen ‘ingekomen werknemer’ is ten tijde van de indiening van het derde verzoek. Voor het geval daarover anders zou moeten worden geoordeeld, oordeelt het Hof
(ii)dat in het wettelijke systeem ligt besloten dat in beginsel slechts één keer - met vrucht - een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan, dat het UBLB niet voorziet in een mogelijkheid tot heroverweging van een beschikking 30%-regeling en dat de formele rechtskracht van de oorspronkelijke beschikking in beginsel moet worden gerespecteerd. Het Hof overweegt verder
(iii)dat een analoge toepassing van art. 4:6 Awb Pro ook niet tot herziening van de looptijd kan leiden, nu geen sprake is van nova en niet is gebleken van een bijzondere omstandigheid waardoor het weigeren van de herziening evident onredelijk is.
Middelonderdeel 1akeert zich tegen het oordeel van het Hof dat Werkneemster niet als ‘ingekomen werknemer’ kan worden aangemerkt.
Middelonderdeel 1bstelt dat de opvatting onjuist is dat in het wettelijke systeem besloten ligt dat in beginsel slechts één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan.
Middelonderdeel 2abetoogt dat art. 4:6 Awb Pro überhaupt niet van toepassing is, omdat de eerdere beschikkingen niet (gedeeltelijk) afwijzend waren. Voor het geval art. 4:6 Awb Pro wel van toepassing is, komt
middelonderdeel 2bop tegen het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheid is die leidt tot evidente onredelijkheid.
onderdeel 4een uiteenzetting van de 30%-regeling. Dit onderdeel is vooral beschrijvend van aard.
onderdeel 5onderzoek ik het impliciete uitgangspunt in deze procedure dat een beschikking 30%-regeling niet alleen ‘groen licht’ betekent voor toepassing van die regeling, maar dat zij ook de looptijd vastlegt. Zou dat laatste niet het geval zijn en het UBLB bepalend zijn voor de looptijd, dan zou deze procedure wellicht overbodig zijn. Ik kom tot de bevinding dat hoewel de tekst van het UBLB daartoe niet dwingt, uit HR BNB 2009/204 en HR BNB 2012/86 volgt dat een in een beschikking 30%-regeling vermelde looptijd onderdeel is van die beschikking.
onderdeel 7, dat het zwaartepunt vormt van deze conclusie. Na een analyse van het oordeel van het Hof (7.1-7.8), behandel ik eerst kort of een verzoek om een langere looptijd valt te scharen onder een verzoek om voortgezette toepassing van de 30%-regeling (nee) (7.9). Vervolgens onderzoek ik ’s Hofs oordeel dat slechts één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan. Ik maak daarbij een splitsing tussen enerzijds de vraag of een nieuw verzoek mogelijk is na een eerder verzoek en anderzijds de vraag naar de betekenis van de beschikking op het eerdere verzoek, met name of de formele rechtskracht daarvan in de weg staat aan honorering van het nieuwe verzoek. De eerste vraag beantwoord ik bevestigend (7.10-7.14). Voor beantwoording van de tweede vraag neem ik een langere aanloop. Eerst komen aan de orde hoe de inspecteur de looptijd vaststelt (maximum minus korting) (7.15-7.19), feitenrechtspraak (7.20-7.25) en de betekenis van het begrip ‘resterende looptijd’ (7.26-7.33). Daarna volgt mijn beschouwing (7.34-7.44). Uitkomst daarvan is dat ik meen dat de reikwijdte van de formele rechtskracht van een beschikking 30%-regeling afhangt van de verhouding tussen de beschikking en het verzoek. Indien een verzoek volledig is gehonoreerd, dan heeft de formele rechtskracht van de beschikking geen verdergaande reikwijdte dan waarover in positieve zin is beslist. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de formele rechtskracht van de twee eerdere beschikkingen niet in de weg staat aan honorering van het derde verzoek, nu het derde verzoek op een andere periode betrekking heeft dan de eerdere beschikkingen (7.45-7.48). Wat betreft de eerste beschikking komt daar nog bij dat de formele rechtskracht daarvan niet aan belanghebbenden kan worden tegengeworpen nu Werkgever 2 geen belanghebbende was bij die beschikking (7.32).
onderdeel 8komt een invalshoek van belanghebbenden aan de orde die besloten ligt in middelonderdeel 2a. Bij die invalshoek wordt geen aandacht besteed aan de formele rechtskracht van de eerdere beschikkingen, maar staat centraal dat art. 4:6 Awb Pro niet van toepassing is – zoals ook de Staatssecretaris meent – waardoor (zo begrijp ik belanghebbenden) er geen wettelijke basis is om het nieuwe verzoek af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere beschikkingen wegens gebrek aan nova. Ik meen dat juist is het uitgangspunt van beide partijen dat art. 4:6 Awb Pro niet van toepassing is: (i) van een eerdere (gedeeltelijk) afwijzende beschikking is geen sprake en (ii) het derde verzoek is evenmin een herhaalde aanvraag (8.6-8.10). Ik zie in de niet-toepasselijkheid van art. 4:6 Awb Pro een wetssystematisch argument ten faveure van de opvatting dat de formele rechtskracht van een toewijzende beschikking niet verder gaat dan wat in positieve zin is beslist (8.13).
cassatieberoepin elk van de zaken
gegronden kan de Hoge Raad de zaken zelf afdoen.
2.De feiten en oordeel feitenrechters
De feiten
3.Het geding in cassatie
middelonderdeel 1a), dan wel in het wettelijke systeem besloten ligt dat ten aanzien van een ingekomen werknemer in beginsel slechts één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan (
middelonderdeel 1b).
middelonderdeel 2a), en als dat wel zo is, komt het op tegen het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheid is die leidt tot evidente onredelijkheid (
middelonderdeel 2b).
nietvan toepassing is omdat geen sprake is van een aanvraag na een gedeeltelijk afwijzende beschikking, aangezien de eerdere verzoeken juist waren gehonoreerd. Als art. 4:6 Awb Pro echter niet van toepassing is, zoals middelonderdeel 2a voorstaat, dan kan art. 4:6 Awb Pro ook geen soelaas bieden. In dat opzicht past middelonderdeel 2a niet bij het bestrijden van het oordeel van het Hof in rov. 5.9. Daarbij komt dat een kernpunt van middelonderdeel 2a lijkt te zijn dat het derde verzoek een nieuwe aanvraag is in die zin dat het verzoek ziet op een andere periode dan de eerdere gehonoreerde verzoeken. Middelonderdeel 2a heeft daarmee veel overlap met middelonderdeel 1b en bouwt daarop voort. Ik zal dit middelonderdeel 2a daarom mede in samenhang met middelonderdeel 1b beschouwen in onderdeel 7. Wel besteed ik daarnaast in onderdeel 8 ook nog afzonderlijk aandacht aan middelonderdeel 2a in verband met de nadruk die het legt op het niet van toepassing zijn van art. 4:6 Awb Pro.
4.De 30%-regeling algemeen
Is dat het geval dan wordt zo spoedig mogelijk een beschikking opgemaakt dat de regeling van toepassing is. Beschikt de Belastingdienst over aanwijzingen dat de beslissing mogelijk onjuist is of dat een andere looptijd van toepassing is, neemt de Belastingdienst onverwijld contact op met [gemachtigde].”
looptijdbij voor bezwaar vatbare beschikking vaststelt. Die looptijd is in art. 10e(2)(d) UBLB gedefinieerd als “de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is”. Hoe de looptijd wordt bepaald, vloeit voort uit de artikelen 10ec, 10ee, 10ef, 10eg en 10eh UBLB.
nietverleent en de inspecteur stelt de looptijd wel vast, dan kunnen de betrokken belanghebbenden zich weliswaar – in beginsel – op die looptijd beroepen op basis van het vertrouwensbeginsel, maar die vastgestelde looptijd kan aan de betrokken belanghebbenden niet worden tegengeworpen indien uit het UBLB een langere looptijd voortvloeit.
om toepassingvan de 30%regeling moet worden gedaan en dat de inspecteur op dat verzoek beslist. Het UBLB bepaalt verder niet expliciet iets over de inhoud van het verzoek, over de vraag ten aanzien van welke rechtsverhouding of gebeurtenis [63] dat verzoek wordt of kan worden gedaan, of over de inhoud van de door de inspecteur te nemen beslissing. Ook uit de toelichting volgt niet dat de looptijd door de inspecteur wordt vastgesteld (zie 5.4). Ik acht op basis van de tekst van art. 10ei(1) UBLB (en eerder art. 9h) daarom een uitleg mogelijk dat de beschikking alleen inhoudt dat de 30%-regeling mag worden toegepast, en dat de looptijd vervolgens voortvloeit uit de bepalingen van het UBLB, meer specifiek de al eerder genoemde artikelen 10ec, 10ee, 10ef, 10eg en 10eh UBLB.
de factoeen voorwaarde voor het toepassen van de 30%-regeling. Immers, zonder looptijd is hoofdstuk 4a van het UBLB niet van toepassing en is de werknemer dus geen ingekomen werknemer. In dat opzicht neemt de inspecteur bij het toekennen of afwijzen van een verzoek om toepassing van de 30%-regeling ook een beslissing over de looptijd. Hiertegen kan worden ingebracht dat weliswaar een criterium voor toekennen van een beschikking 30%-regeling is of er looptijd is, maar dat dit nog niet hoeft te betekenen dat de looptijd onderdeel is van een toekennende beschikking 30%-regeling.
6.Is Werkneemster een ingekomen werknemer? (middelonderdeel 1a)
diebeschikking zou worden herzien, dan ziet dat enkel op het punt van de looptijd en staat het ingekomen werknemerschap niet ter discussie. Echter, indien het derde verzoek een nieuw verzoek is, dan is de relevante vraag of Werkneemster ook voor dat nieuwe verzoek nog als ingekomen werknemer kan worden aangemerkt.
ex tunc-benadering, met enkele specifieke uitzonderingen. Bij wisseling van werkgever bepaalt art. 10ed(2) UBLB dat opnieuw aannemelijk moet zijn dat de werknemer een ingekomen werknemer in de zin van art. 10e UBLB is. Dat impliceert een
ex nunc-beoordeling, maar die soep wordt niet zo heet gegeten. Immers, de toelichting op de voorganger van die bepaling (art 9c (oud) UBLB) maakt duidelijk dat de toets alleen de schaarse specifieke deskundigheid betreft (zie 4.23 voor een uitgebreider citaat):
ex tunc-benadering gehanteerd bij wisseling van inhoudingsplichtige: [70]
ten tijde van de indiening van het nieuwe verzoek(…) niet meer [kon] worden aangemerkt als ingekomen werknemer van [Werkgever 2; MP] in de zin van hoofdstuk 4A van het UBLB.” De daaropvolgende motivering van het Hof (“[Werkneemster] werkte immers al in Nederland; zij is door [Werkgever 2] dan ook niet vanuit het buitenland aangeworven”) gaat bovendien eraan voorbij dat bij een wisseling van werkgever de toets
nietis of de nieuwe werkgever de werknemer vanuit het buitenland heeft geworven, maar of de eerdere werkgever dat heeft gedaan, zoals hier – naar niet in geschil is – het geval is. In dat geval moet bij wisseling van werkgever “de werknemer vanzelfsprekend nog steeds worden beschouwd als uit een ander land te zijn aangeworven of gezonden” (6.4). Omdat die vanzelfsprekendheid geldt voor de gehele tewerkstelling bij Werkgever 2, en het derde verzoek is gedaan ten aanzien van diezelfde tewerkstelling, staat deze materiële voorwaarde niet aan het derde verzoek in de weg.
alser geen procedurele belemmering is om voor
dezelfdetewerkstelling meer dan één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling te doen, de materiële voorwaarde dat Werkneemster ingekomen werknemer is (hier specifiek: aangeworven uit het buitenland) geen knelpunt is. [73] De crux in deze zaak is daarom naar mijn mening
ofmeer dan één keer met vrucht een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord en daartegen is middelonderdeel 1b (en – naar mij voorkomt (vgl. 3.9) – ook middelonderdeel 2a) gericht. Ik vervolg met die kwestie.
nietde mogelijkheid om een nieuwe c.q. herhaalde aanvraag te doen. Dat die mogelijkheid bestaat is uitgangspunt. Het artikel houdt dus ook
nietin dat een nieuwe aanvraag alleen kan worden gedaan indien eerder een (gedeeltelijk) afwijzende beschikking is genomen. Het is bovendien dus
nietzo dat het artikel de bevoegdheid creëert voor een bestuursorgaan om op een herhaalde aanvraag te beslissen; die bevoegdheid bestaat in het algemeen en art. 4:6 Awb Pro biedt slechts de mogelijkheid om een herhaalde aanvraag zonder nova af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere beschikking. Vgl. voor dit laatste ook de standaarduitspraak van de ABRvS over art. 4:6 Awb Pro: [75]
explicieteherzieningsmogelijkheid. Verder is art. 65 AWR Pro niet van toepassing. [76] Het een noch het ander brengt echter mee dat de inspecteur niet bevoegd zou zijn ten voordele van een belastingplichtige en zijn werkgever een beschikking 30%-regeling te herzien. [77] Uitgangspunt in het bestuursrecht is immers dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een besluit te heroverwegen. Ik zie niet in waarom voor het belastingrecht een uitzondering zou moeten gelden, althans niet voor herziening ten voordele van een belastingplichtige. Het is bovendien in het fiscale bestuursrecht niet zonder precedent dat aanvaard wordt dat het bestuursorgaan, zonder expliciete wettelijke grondslag, bevoegd is een door hem genomen beschikking te herzien ten voordele van de betrokkene. [78]
alsonder de resterende looptijd zou moeten worden verstaan: de resterende beschikte looptijd, reeds daarop honorering van het derde verzoek zou afstuiten.
zoals opgenomen in de beschikking) recht houden op de 30%-regeling.”
toewijzendebeschikking onrechtmatig heeft gehandeld, gegeven dat destijds niet om een langere periode is verzocht.
8.De niet-toepasselijkheid van art. 4:6 Awb Pro? (nogmaals middelonderdeel 2a)
9.Evident onredelijk? (middelonderdeel 2b)
wordthet nieuwe verzoek echter afgewezen indien daarin geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld” (onderstreping MP). Indien in het onderhavige geval art. 4:6 Awb Pro van (overeenkomstige) toepassing zou zijn, zou een (overeenkomstige) toepassing van dit beleid belanghebbenden dus niet helpen.
op dat momentevident onredelijk is op de grond dat afgeweken werd van beleid. Als echter in het kader van het ‘evident onredelijk’-criterium wél (mede) het beleid
ex nuncvan belang is, zou het naar mijn mening in lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad over ambtshalve toepassing van beleidsregels in cassatie passen, [112] dat in het onderhavige geval wel rekening wordt gehouden met de Mededeling. Wellicht kunnen partijen in de Borgersbrief hun standpunt kenbaar maken voor het geval de Mededeling toch bij de beoordeling wordt betrokken, al zou ik voorshands menen dat de onderhavige situatie ook onder het toepassingsbereik van de goedkeuring in de Mededeling valt. Ik merk overigens op dat de toelichting op de invoering van de herzieningsregeling per 1 januari 2024 vermeldt dat deze Mededeling haar belang heeft verloren (zie 10.4, slot).
welevident onredelijk is zich in zeker opzicht beter voor motivering leent dan een oordeel dat iets
nietevident onredelijk is. Ik vind het dan ook wel verklaarbaar dat de motivering door de Rechtbank wat uitgebreider is dan die door het Hof.
nietaan de orde is dat de eerdere beschikking onjuist is, [117] laat staan evident onjuist is. Zo dit laatste al niet doorslaggevend is, gelet op wat uit de gegevens in de conclusie van raadsheer A-G Wattel naar voren komt (zie 9.8), is het minstens een zwaarwegende contra-indicatie. Wat evenmin ten voordele van belanghebbenden meeweegt is dat niet alleen een fout is gemaakt bij het eerste verzoek, maar dat de ‘juiste’ einddatum evenmin is vermeld in het tweede verzoek en dat ook de mogelijkheid van bezwaar niet is benut.
10.Het Eindejaarsbesluit 2023: invoering van een herzieningsregeling
ambtshalvede eerdere beschikking ten voordele heeft herzien; art. 10ei(3) UBLB voorziet immers ook expliciet in die mogelijkheid.
Alsinmiddels – al dan niet op verzoek – een herziening zou hebben plaatsgevonden, dan ontvalt het materiële belang aan deze procedure. Ik geef partijen daarom in overweging om in hun eventuele reactie op deze conclusie te melden of de eerdere beschikking inmiddels is herzien of zal worden herzien, en wat het belang is bij het voortzetten van deze procedure.