Uitspraak
OVERWEGINGEN
1 november 2005 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 1 november 2005 een WW-uitkering na werkloosheid. Werkgeefster verzocht in 2005 de assuradeur om het opgebouwde prepensioen pas vanaf de pensioengerechtigde leeftijd uit te keren, maar Nationale Nederlanden reageerde hier niet op. Vanaf 1 maart 2008 ontving appellant geen prepensioenuitkeringen, terwijl het pensioen volgens de regeling vanaf die datum inging.
In 2010 stelde het UWV vast dat appellant een te hoge WW-uitkering ontving omdat het ouderdomspensioen niet was verrekend. Het UWV besloot het pensioen met terugwerkende kracht in mindering te brengen en vorderde onverschuldigde uitkeringen terug. Appellant voerde aan dat hem pas in 2010 duidelijk werd dat hij teveel ontving en dat hij mocht vertrouwen op uitstel van het prepensioen.
De Raad oordeelde dat het prepensioen vanaf 1 maart 2008 in mindering moest worden gebracht op de WW-uitkering conform artikel 34 WW Pro. Het UWV had dit echter niet op de juiste wettelijke grondslag gedaan, maar op artikel 22a WW, waardoor het besluit vernietigd werd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht in mindering te brengen op de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.