ECLI:NL:CRVB:2013:2152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant 1 ontving bijstand als alleenstaande en woonde op een adres waar ook appellant 2 stond ingeschreven. Het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen appellant 1 niet had gemeld. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van de kosten.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf van appellant 2 ondanks zijn verblijf in het buitenland hetzelfde bleef en dat er sprake was van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling die verder ging dan een kamerhuurrelatie. Appellant 1 gebruikte de gehele woning zonder huur te betalen en beschikte over de bankpas van appellant 2 voor gezamenlijke uitgaven.
De schending van de inlichtingenplicht door appellant 1 stond een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel in de weg. Eerder onderzoek zonder aanwijzingen deed niet af aan de bevoegdheid van het college om later de bijstand in te trekken. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.