Uitspraak
10 oktober 2011, 11/208 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
€ 25.000,- en op 29 januari 2010 bedragen van in totaal € 58.362,- zijn gestort op een bankrekening van de BV in verband met de verkoop van aandelen van de BV in de [naam BV 2]. Tevens is gebleken dat van die rekening op 19 maart 2009 € 20.000,- en op
29 januari 2010 € 43.211,- is overgemaakt naar de rekening van de vader van appellant.
19 juli 2010 (besluit 3) heeft het college deze aanvraag afgewezen.
3 februari 2009 tot 29 januari 2010 niet kan worden vastgesteld. Op die periode dient het recht op bijstand immers op nihil te worden vastgesteld omdat appellant beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen. Tot de positieve bestanddelen van het vermogen van appellant in die periode behoorden immers de aandelen in de [naam BV 2] die, zoals bij de daadwerkelijk verkoop daarvan bleek, een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Na de verkoop en levering van die aandelen had appellant een vordering op de koper ter hoogte van het nog niet betaalde deel van de verkoopprijs. Van 19 maart 2009 tot 29 januari 2010 bedroeg deze vordering € 58.362,-. Tegenover deze positieve vermogensbestanddelen van appellant stonden, gelet op wat onder 4.6. is overwogen, niet zoveel in aanmerking te nemen schulden dat het vermogen van appellant daardoor lager was dan het vrij te laten vermogen. Appellant had dan ook van
3 februari 2009 tot 29 januari 2010 geen recht op bijstand.
29 januari 2010 is ingetrokken. Tevens bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten.
BESLISSING
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 januari 2011, voor zover dat
betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 3 februari 2009 tot
29 januari 2010;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 14 januari
2011 in stand blijven;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 153,- vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.416,-.
A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2013.