ECLI:NL:CRVB:2013:2484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 april 2006
Appellant ontvangt sinds 1 oktober 2001 een AOW-uitkering voor een ongehuwde. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de woonsituatie van appellant en zijn partner [J.]. Uit het onderzoek, inclusief een huisbezoek in november 2010, bleek dat zij sinds 1 april 2006 een gezamenlijke huishouding voeren, ondanks dat zij op verschillende adressen staan ingeschreven.
De Svb besloot daarom de AOW-uitkering van appellant met ingang van 1 april 2006 te herzien naar het gehuwdenniveau. Appellant voerde aan dat hij pas sinds juni 2011 samenwoonde met [J.] en dat het formulier over de woonsituatie onjuist was ingevuld, maar deze bezwaren werden verworpen.
De Raad oordeelde dat het feitelijke samenwonen en de wederzijdse zorg voldoende waren aangetoond, mede door de door appellant en [J.] ondertekende verklaringen en het formulier. Het enkele feit dat appellant later op het adres van [J.] werd ingeschreven en een samenlevingscontract sloot, deed hieraan niet af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem en wees het hoger beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de AOW-uitkering wordt herzien naar het gehuwdenniveau vanaf 1 april 2006.