Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 11 april 2007. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, onder meer door het niet melden van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het niet volledig overleggen van relevante financiële gegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateerde dat de rechtbank het bezwaar tegen de terugvordering niet volledig had beoordeeld, wat strijdig was met de Algemene wet bestuursrecht. De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het recht op bijstand over de gehele periode niet kon worden vastgesteld, maar wel vanaf 8 januari 2010 toen de zelfstandige activiteiten daadwerkelijk begonnen.
De Raad vernietigde het intrekkingsbesluit voor de periode van 11 april 2007 tot en met 7 januari 2010 wegens gebrek aan motivering en herroept dit deel. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering, aangezien het huidige besluit ondeugdelijk is. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellanten en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.