ECLI:NL:CRVB:2013:2566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder, maar het college vermoedde dat zij niet op het opgegeven adres woonde maar bij appellant, met wie zij een dochter heeft. De sociale recherche voerde een onderzoek uit, inclusief huisbezoeken, verhoren en dossieronderzoek, en concludeerde dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden met gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van appellant.
Het college trok de bijstand van appellante met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, mede van appellant. Appellanten stelden in bezwaar en beroep dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden buiten een erkende periode en dat bijstand met terugwerkende kracht toegekend had moeten worden. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het bewijs, waaronder verklaringen van appellanten en buurtbewoners en verbruiksgegevens, voldoende is om het gezamenlijke hoofdverblijf en de wederzijdse zorg aan te tonen. Het verweer dat verklaringen onder druk zijn afgelegd faalt. Ook is geen bijzondere omstandigheid aangetoond die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigt.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraken en wijst de beroepen af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.