ECLI:NL:CRVB:2013:2614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon ondanks niet-betaalde CAO-loonsverhogingen
Appellant was werkzaam bij een werkgever en ontving na het einde van zijn dienstverband een WW-uitkering waarbij het dagloon werd vastgesteld op €174,76. Hij stelde dat de loonsverhoging op grond van de CAO, die niet was uitbetaald, ten onrechte niet was meegenomen in de dagloonberekening. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, waarin staat dat loon dat vorderbaar maar niet tevens inbaar was in het refertejaar in aanmerking kan worden genomen.
De Raad oordeelde dat appellant niet had bewezen dat hij in het refertejaar op duidelijke wijze de werkgever had gemaand tot uitbetaling van het achterstallige loon. De ingediende brieven en dagvaarding waren pas na het refertejaar verzonden, en de eigen verklaring over gesprekken in het refertejaar was onvoldoende onderbouwd. Hierdoor was niet gebleken dat het loon niet tevens inbaar was in het refertejaar.
Daarom was niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit en was het dagloon correct vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Arnhem bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon is correct vastgesteld.