Uitspraak
mr. R. Storm van ’s Gravesande-Roelse en mr. J.M. Nijman.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Frankrijk en ontvanger van een AOW-pensioen en ouderdomspensioenen, is door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) als verdragsgerechtigde aangemerkt en moet op grond van artikel 69 van Pro de Zorgverzekeringswet (Zvw) een buitenlandbijdrage betalen voor zorg in het woonland.
Cvz stelde de buitenlandbijdrage voor 2006 vast en wijzigde deze na bezwaar van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de bijdrage gerechtvaardigd is en niet in strijd met het vrij verkeer van personen of het gelijkheidsbeginsel.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat zijn persoonlijke lasten in aftrek moesten worden gebracht op de bijdrage en dat de inhouding op zijn pensioen onterecht een AWBZ-premie zou betreffen. De Raad verwierp deze gronden en bevestigde dat de inhouding een pseudo-AWBZ-bijdrage betreft, geen premie, en dat de berekeningswijze wettelijk is voorgeschreven.
De Raad oordeelde verder dat er geen sprake is van ongelijke behandeling of verboden discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en het EHRM-arrest Ramaer en Van Willigen. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de buitenlandbijdrage Zvw voor de in Frankrijk wonende appellant wordt bevestigd.