Eiser, een Nederlander die van 20 januari 2014 tot en met 31 december 2014 in Zweden woonde en een pensioen ontving, was op grond van EU-verordening 883/2004 en de Zorgverzekeringswet (Zvw) verdragsgerechtigd en dus een buitenlandbijdrage verschuldigd. CAK heeft deze bijdrage definitief vastgesteld en opgelegd.
Eiser betwistte de bevoegdheid van CAK, de termijn waarbinnen de bijdrage werd vastgesteld, de hoogte van de bijdrage en stelde dat hij onredelijk dubbel zou betalen. De rechtbank oordeelde dat CAK sinds 1 januari 2017 bevoegd is de bijdrage vast te stellen, dat de termijn niet te laat is omdat de vaststelling afhankelijk is van gegevens van de Belastingdienst, en dat de buitenlandbijdrage een zelfstandige sociale bijdrage is, verschillend van premies in het woonland.
De rechtbank verwierp ook het beroep op persoonlijke omstandigheden en het bezwaar tegen de motivering van het besluit. De hoogte van de bijdrage werd niet betwist. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.