ECLI:NL:CRVB:2013:2859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en oplegging maatregel wegens schending inlichtingenplicht en niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en gaf aan 20 uur per week te werken. Na een melding van een consulent dat appellant fulltime werkte, stelde de dienst Sociale Zaken en Werk een onderzoek in. Uit waarnemingen bleek dat appellant op meerdere momenten meer uren werkte dan opgegeven, wat hij niet had gemeld, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 oktober 2010 in en legde een maatregel op vanwege het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, nadat appellant had aangegeven niet meer te willen worden opgeroepen bij zijn werkgever. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onvoldoende concreet was en dat niet alle waarnemingen aan de besluitvorming ten grondslag mochten worden gelegd. Ook stelde hij dat zijn contract van rechtswege zou eindigen en dat de maatregel gematigd had moeten worden vanwege geringe inkomsten.
De Raad oordeelde dat de waarnemingen voldoende concreet waren en dat aanwezigheid tijdens reguliere uren op de werkplek impliceert dat arbeid werd verricht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, wat appellant niet deed. Het college mocht de maatregel opleggen omdat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. De geringe inkomsten konden de maatregel niet matigen.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en wees de beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en oplegging van maatregel wegens schending inlichtingenplicht en niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid.