Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene diende op 8 maart 2011 een aanvraag in voor een WW-uitkering. Appellant stelde bij besluit van 14 april 2011 vast dat betrokkene tot en met 30 juni 2011 geen recht had op uitkering. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank dit besluit en stelde dat betrokkene vanaf 1 april 2011 recht heeft op uitkering, met verwijzing naar een eerdere uitspraak over de berekening van wettelijke rente.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte de berekeningswijze van de wettelijke rente had toegepast zoals bepaald in een eerdere uitspraak van de Raad, en stelde dat de betalingstermijn van zes weken uit artikel 4:87 Awb Pro van toepassing is, waardoor de wettelijke rente later zou ingaan.
De Raad overwoog dat de gewijzigde wettelijke bepalingen en de jurisprudentie van 25 januari 2012 een betalingstermijn van een maand hanteren voor periodieke WW-uitkeringen, en dat de wettelijke rente daarom vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op de beslistermijn ingaat. De stelling van appellant dat de betalingstermijn zes weken bedraagt, werd verworpen omdat dit niet strookt met artikel 33 WW Pro en het feit dat niet elke betaling een beschikking is.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar appellant werd wel griffierecht opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep van appellant af.