ECLI:NL:CRVB:2016:2120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schadevergoeding wegens vertraagde WW-uitkering en renteschade
Appellant verzocht het UWV om met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2008 een WW-uitkering toe te kennen. Het UWV kende aanvankelijk de uitkering toe vanaf 23 april 2010, waarna na bezwaar de uitkering alsnog met terugwerkende kracht werd toegekend vanaf 1 april 2008. Appellant stelde dat door de vertraagde uitbetaling schade was ontstaan, waaronder een hoge belastingaanslag.
De rechtbank oordeelde dat het UWV schadeplichtig was en kende een schadevergoeding toe van €270,11 aan renteschade en €169,- aan belastingschade. Het UWV ging niet in hoger beroep tegen de hoogte van deze vergoeding, maar wel tegen andere schadeclaims van appellant.
In hoger beroep stelde appellant dat rente vanaf 1 april 2008 vergoed moest worden en dat aanvullende schadevergoeding voor belastingschade en kosten van bijstand en accountant moest worden toegekend. De Raad oordeelde dat wettelijke rente pas vanaf de wettelijke beslistermijn kon lopen en dat toezeggingen over rente vanaf 1 april 2008 niet aannemelijk waren gemaakt. Verder werden aanvullende schadeclaims afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of bewijs van gemaakte kosten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep af.