ECLI:NL:CRVB:2013:886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken reële schuld
Appellant vroeg bijstand aan over de periode van 15 juni 2007 tot medio september 2007, kort na het overlijden van zijn broer. Het dagelijks bestuur van de ISD Noordoost wees deze aanvraag af omdat appellant zich niet tijdig tot het UWV had gewend en niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant voerde aan dat hij zich medio juni 2007 bij het dagelijks bestuur had gemeld en dat hij schulden had gemaakt die hij later had terugbetaald, ondersteund door verklaringen van twee geldschieters.
De Raad oordeelde dat een melding om bijstand bij het UWV moet worden gedaan en dat het dagelijks bestuur niet verplicht was appellant hierop te wijzen. Verder waren de verklaringen onvoldoende concreet en verifieerbaar om te spreken van een reële schuld met terugbetalingsverplichting. Daarom kon geen bijstand met terugwerkende kracht worden toegekend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees de vordering van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht wordt bevestigd wegens ontbreken van aannemelijk bewijs van een reële schuld.