ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken duidelijke samenhang tussen ontslag en betalingsonmacht werkgever
Appellant was sinds 1982 in dienst van een werkgever die in 2011 failliet werd verklaard. Na het ontslag per 5 december 2009 vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat er geen duidelijke samenhang was tussen het ontslag en de betalingsonmacht van de werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was gebleken dat de omstandigheden die tot het ontslag leidden en de betalingsonmacht van de werkgever met elkaar samenhingen. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had ingegaan op zijn bezwaar dat het UWV de primaire afwijzingsgrond niet had gehandhaafd en dat er wel degelijk een duidelijke samenhang bestond.
De Raad overwoog dat de eis van duidelijke samenhang strikt moet worden uitgelegd en dat de slechte financiële situatie van de werkgever ruim voor het ontslag onvoldoende is om die samenhang aan te nemen. Het feit dat het loon nog tot december 2010 werd betaald, ondersteunt dit oordeel. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd wegens het ontbreken van een duidelijke samenhang tussen het ontslag en de betalingsonmacht van de werkgever.