ECLI:NL:CRVB:2013:BY8471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand op grond van WWB wegens niet-gelijkstelling met Nederlander
Appellant diende op 20 mei 2010 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Almere. Deze aanvraag werd op 2 juli 2010 afgewezen omdat appellant geen Nederlander is en ook niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander volgens artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 28 september 2010 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
De rechtbank oordeelde dat appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB valt, waardoor hem zelfs op grond van zeer dringende redenen geen bijstandsuitkering kan worden toegekend. Daarnaast werd beoordeeld of de weigering een schending van artikel 8 EVRM Pro opleverde. De rechtbank concludeerde dat appellant niet behoort tot een kwetsbare groep die bijzondere bescherming verdient onder artikel 8 EVRM Pro.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep op artikel 8 EVRM Pro verwierp. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de beoordeling zich beperkt tot de periode van de aanvraag tot het primaire besluit en bevestigde dat appellant geen vreemdeling is in de zin van artikel 11 WWB Pro. De Raad stelde dat indien een positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro zou bestaan, deze niet via de WWB kan worden gerealiseerd. De Raad verwierp het beroep en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag omdat appellant niet als Nederlander wordt gelijkgesteld en geen bijstand kan ontvangen op grond van artikel 16 WWB.