ECLI:NL:CRVB:2013:BY8581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over loonbetaling en WW-uitkering na gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds juni 2003 gedeeltelijk arbeidsongeschikt en hervatte vanaf januari 2004 werkzaamheden tot 15,2 uur per week. Het UWV kende haar een WAO- en WW-uitkering toe, waarbij werkgeefster loon betaalde over 15,2 uur per week tot 1 augustus 2006. Daarna stopte werkgeefster de loonbetaling en ontstond discussie over het recht op WW-uitkering over 30,4 uur per week.
Het geschil betrof of de aangepaste werkzaamheden vanaf 2004 als bedongen arbeid konden worden aangemerkt, wat bepalend is voor de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. De Raad concludeert dat de brief van 17 mei 2005 van werkgeefster geen wijziging van de arbeidsovereenkomst inhoudt en dat het UWV ten onrechte aannam dat appellante recht had op loonbetaling over 15,2 uur na 1 augustus 2006.
De Raad wijst op het ontbreken van medische onderbouwing voor het standpunt van het UWV en benadrukt dat appellante zich onvoldoende kon beroepen op gerechtvaardigd vertrouwen dat de aangepaste arbeid de bedongen arbeid zou zijn geworden. Daarom voldoet het bestreden besluit niet aan de motiveringseis van de Algemene wet bestuursrecht en wordt het UWV opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen omdat het eerdere besluit onvoldoende is gemotiveerd.