ECLI:NL:CRVB:2013:BY8664
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van augustus 2005 tot september 2009. Uit onderzoek bleek dat zij eigenaar was van een woning op Curaçao met een waarde die het vrij te laten vermogen overschreed. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij niet over deze woning kon beschikken, ondanks haar stelling dat de woning aan haar vader toebehoorde en dat zij de opbrengst bij verkoop zou moeten delen met haar broers en zuster.
Daarnaast werd vastgesteld dat appellante in december 2007 een financiële transactie verrichtte en daarvoor een vergoeding ontving, zonder dit te melden aan het college. Haar inconsistenties over de hoogte van de vergoeding en het ontbreken van objectieve onderbouwing leidden tot de conclusie dat zij haar inlichtingenplicht schond.
Het college trok daarom de bijstand over de betreffende periodes in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. De Centrale Raad van Beroep vernietigde het vonnis voor zover het de grondslag van het besluit uitbreidde, maar bevestigde het bestreden besluit zelf. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens vermogen boven de vrijstellingsgrens en schending van de inlichtingenplicht.