ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Ziektewetuitkering na hervatting passend werk en aanhoudende arbeidsongeschiktheid
Appellant, meewerkend eigenaar van een grondverzetbedrijf en vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet, ontving een ZW-uitkering van 15 december 2006 tot 11 december 2008 wegens oorklachten. Na deze periode meldde hij zich op 3 mei 2010 ziek met recidiverende klachten. Het UWV weigerde een nieuwe ZW-uitkering toe te kennen op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW, omdat de maximale periode van 104 weken was verstreken en appellant hervat had in hetzelfde werk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant onafgebroken arbeidsongeschikt bleef voor dezelfde arbeid en niet ongeschikt werd door een andere oorzaak. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat een nieuw tijdvak van 104 weken was aangevangen door hervatting in passende arbeid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de gronden van appellant terecht had verworpen en bevestigde het bestreden besluit. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een nieuwe ZW-uitkering bevestigd.