ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij gehoorbeperkingen en maatmaninkomen
Appellant, meewerkend eigenaar van een grondverzetbedrijf, meldde zich ziek met linkeroorklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. De verzekeringsarts constateerde beperkingen in het gehoor, vooral in groepscommunicatie, maar niet zodanig dat appellant volledig doof was. Het UWV handhaafde het besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.
Appellant voerde aan dat het UWV onzorgvuldig was door de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen zonder hem te horen en dat hij volledig doof was, wat niet onderzocht zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de aanpassingen geen nieuwe feiten waren en dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd. Ook achtte de rechtbank de functies waarop de maatmaninkomenberekening is gebaseerd passend voor appellant.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voerde hij extra stukken aan. De Raad volgde het UWV en de rechtbank en concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant op de datum in geding volledig doof was. De medische rapporten zijn consistent en geven geen reden tot twijfel. De belasting van de functies gaat de beperkingen van appellant niet te boven, waardoor het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% is. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.