ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3219
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering huishoudelijke verzorging op grond van Wmo wegens voorliggende AWBZ-zorg
Appellante, met een psychogeriatrische aandoening, woont zelfstandig met een AWBZ-indicatie voor zorgzwaartepakket 5 (ZZP5) inclusief intensieve dementiezorg en huishoudelijke verzorging. Zij vroeg huishoudelijke verzorging aan op grond van de Wmo, maar het college wees dit af omdat de AWBZ-zorg voorliggend is.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat de AWBZ-indicatie recht geeft op huishoudelijke verzorging, waardoor geen aanspraak op de Wmo bestaat. Appellante voerde aan dat huishoudelijke hulp geen zelfstandige aanspraak binnen de AWBZ vormt en dat zij aangewezen is op de Wmo.
De Raad oordeelde dat de AWBZ-zorg, inclusief huishoudelijke verzorging, volledig wordt geleverd op basis van de indicatie en zorgovereenkomst, ook al woont appellante zelfstandig. De AWBZ-zorg is een wettelijke voorliggende voorziening ten opzichte van de Wmo. De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 februari 2013.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo wordt afgewezen wegens voorliggende AWBZ-zorg.