ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
EU-burger recht op bijstand bij onduidelijk verblijfsrecht en terugvordering voorschot
Appellante, een Duitse EU-burger, had haar verblijfsrecht in Nederland beëindigd gekregen en was ongewenst verklaard, maar deze ongewenstverklaring werd later ingetrokken. Zij vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar haar aanvragen werden afgewezen omdat het college van burgemeester en wethouders van Cuijk oordeelde dat zij geen rechtmatig verblijf had en dus geen rechthebbende was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de terugvordering van een voorschot van €40,-- dat onverschuldigd was uitbetaald, omdat appellante geen bezwaar had gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag. De Raad oordeelde dat het college echter onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd had gehandeld bij de afwijzing van de latere aanvragen om bijstand, omdat het niet voldoende had onderzocht of appellante op grond van Unierecht rechtmatig verblijf had.
De Raad stelde dat het college in overleg met de Immigratie- en Naturalisatiedienst had moeten nagaan of appellante verblijfsrecht had en of dit recht bij de aanvragen was komen te vervallen. Omdat dit niet was gebeurd, vernietigde de Raad de besluiten die de bijstandaanvragen afwezen en droeg het college op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Voorschot teruggevorderd, afwijzingen bijstand vernietigd wegens onzorgvuldige beoordeling verblijfsrecht, nieuwe besluitvorming opgedragen.