ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving sinds 1987 bijstand als alleenstaande. In 2009 ontving de sociale dienst een anonieme melding dat een onbekende man bij appellante woonde. Na onderzoek door de Sociale Recherche Fryslân (SRF) concludeerde het college dat appellante vanaf 1 oktober 2008 een gezamenlijke huishouding voerde met [A.] zonder dit te melden. Hierdoor werd ten onrechte bijstand verleend en werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante, [A.] en getuigen voldoende objectief bewijs vormden dat sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg, zoals gezamenlijk boodschappen doen, uit eten gaan en het wassen van kleding.
De Raad verwierp het verweer van appellante dat de verklaringen niet mochten worden gebruikt en dat zij te verward was om een juiste verklaring af te leggen. Ook de verwijzing naar het EHRM-arrest Šebalj bood geen grond om de verklaringen buiten beschouwing te laten. De Raad concludeerde dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde over de periode 1 oktober 2008 tot en met 5 maart 2010.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding worden bevestigd.