ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand voor aflossing betalingsachterstand ziektekostenverzekering
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was verzekerd tegen ziektekosten bij VGZ. Na intrekking van de bijstand door het college van Venlo werd de premiebetaling gestaakt, wat leidde tot een betalingsachterstand. Appellant vroeg vervolgens bijstand aan het college van Roerdalen om deze schuld te voldoen, maar deze aanvraag werd afgewezen op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en sub f (thans g) van de WWB, dat bijstand voor schuldaflossing uitsluit.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat vanwege zijn ziekte van Korsakov en geheugenstoornissen, en het feit dat het college van Venlo de premiebetaling ten onrechte had gestaakt zonder hem te informeren, sprake was van zeer dringende redenen om van artikel 13 WWB Pro af te wijken. Tevens stelde hij dat hij zonder aanvullende ziektekostenverzekering noodzakelijke behandelingen niet kon ondergaan.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van verwijtbaarheid geen zeer dringende reden vormt en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zonder aanvullende verzekering adequate behandeling onmogelijk was. De wenselijkheid van gebitsregulatie werd niet als zeer dringende reden erkend. De Raad bevestigde daarom de afwijzing en de uitspraak van de rechtbank, en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand voor aflossing van de betalingsachterstand bij VGZ wordt afgewezen wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.