ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste vaststelling fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering
Appellant was werkzaam bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd, die stilzwijgend werd voortgezet en na 36 maanden werd geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het UWV stelde vast dat appellant geen recht had op een WW-uitkering vanaf 26 juli 2010, maar vanaf 2 augustus 2010, omdat de opzegtermijn volgens de arbeidsovereenkomst en cao-regels eindigde op 31 juli 2010.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat de opzegtermijn van de cao van toepassing was, waardoor de WW-uitkering eerder zou moeten ingaan. Ook voerde hij aan dat de arbeidsovereenkomst niet was geconverteerd vanwege het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst en wijziging van het salaris. Daarnaast deed appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel met verwijzing naar een telefoongesprek.
De Raad oordeelde dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend was voortgezet en vanaf 8 januari 2010 gold als een contract voor onbepaalde tijd. De opzegging moest plaatsvinden tegen het einde van de kalendermaand, zoals in de arbeidsovereenkomst was bepaald. Het UWV had de fictieve opzegtermijn correct vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; de WW-uitkering gaat in op 2 augustus 2010.