ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening inkomsten startende zelfstandigen met WW-uitkering bij directeur-grootaandeelhouders
Appellanten ontvingen vanaf september 2006 een WW-uitkering en kregen toestemming om zich te oriënteren op en werkzaamheden te verrichten voor de start van een eigen bedrijf. Tijdens de startperiode werd 70% van de inkomsten als zelfstandige op de WW-uitkering in mindering gebracht. Na afloop van de startperiode werd de WW-uitkering beëindigd omdat appellanten volledig werkzaam waren als zelfstandige.
Het UWV stelde later vast dat appellanten een te hoog voorschot hadden ontvangen en vorderde bedragen terug. Appellanten maakten bezwaar, deels omdat zij onvoldoende waren geïnformeerd over de verrekeningsmethode en de gevolgen van de gekozen ondernemingsvorm (bv). De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellanten nader hadden moeten informeren.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de regeling ondernemers met een bv onterecht zou uitsluiten van de startersregeling en dat hun inkomsten met het verlies van de onderneming verrekend hadden moeten worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Besluit juist is toegepast: belastbaar loon van directeur-grootaandeelhouders vormt het uitgangspunt voor verrekening, niet de winst uit de bv. Er is geen ruimte voor saldering met verlies uit de bv. Ook was er geen tekortkoming van het UWV in de informatieverstrekking. Het beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te hoge voorschotten en wijst het hoger beroep af.