Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming om werkzaamheden als zelfstandige te verrichten tijdens een startperiode. Het UWV verrekende 70% van de inkomsten uit deze zelfstandige werkzaamheden met de WW-uitkering en stelde later vast dat appellant te veel voorschotten had ontvangen.
Appellant voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat hem door een werkcoach was toegezegd dat alleen de winst uit onderneming zou worden verrekend en dat bij negatieve winst geen terugvordering zou plaatsvinden. Tevens beriep hij zich op informatie van de UWV-website over verrekening binnen twee jaar.
De Raad oordeelde dat het UWV op grond van de wet moest uitgaan van het belastbaar loon als directeur-grootaandeelhouder en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De algemene informatie op de website was niet bindend en gaf geen recht op afzien van terugvordering.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV dat appellant een bedrag van € 8.338,77 bruto te veel aan voorschotten had ontvangen en moest terugbetalen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.