ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid CIZ voor toekenning additionele AWBZ-zorg boven zorgzwaartepakket
Betrokkene, met ernstige geestelijke en lichamelijke beperkingen, ontving intramurale zorg en vroeg om verlenging van zijn indicatie voor zorgzwaartepakket VG08. CIZ wees bij besluit van 2 april 2012 de indicatie toe, maar weigerde additionele uren bovenop het pakket toe te kennen, omdat zij meende daartoe sinds 1 januari 2012 niet meer bevoegd te zijn. Betrokkene maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit van 2 juli 2012 waarin het bezwaar werd afgewezen.
De rechtbank Almelo oordeelde dat CIZ ten onrechte meende niet bevoegd te zijn en vernietigde het besluit, waarbij zij CIZ opdroeg binnen vier weken de aanspraak op additionele zorg te indiceren. CIZ ging in hoger beroep en handhaafde haar standpunt dat zij die bevoegdheid niet meer heeft.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de aanspraak op AWBZ-zorg wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, met het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BzA) en de Regeling zorgaanspraken AWBZ (RzA) als kerninstrumenten. Sinds 1 januari 2012 is bepaald dat verzekerden met een zorgzwaartepakket en een minimaal 25% hogere zorgbehoefte aanspraak kunnen maken op meer zorg, maar dat deze beoordeling door de zorgverzekeraar wordt gedaan en niet afhankelijk is van een onafhankelijke beoordeling.
De Raad concludeerde dat de regeling binnen de wettelijke bevoegdheden valt en dat artikel 2 van Pro het BzA en artikel 2 van Pro de RzA de aanspraak op meer zorg niet afhankelijk stellen van een onafhankelijke beoordeling. Artikel 9b, derde lid, van de AWBZ wijzigt hieraan niets. Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van CIZ ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van CIZ wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van additionele zorg boven het zorgzwaartepakket wordt gehandhaafd.