ECLI:NL:CRVB:2013:BY9323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toetsingskader bijstand zelfstandige met aanzienlijk niet-noodzakelijk vermogen
Betrokkene exploiteerde een autobedrijf en vroeg in januari 2010 bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) na het staken van zijn werkzaamheden wegens ziekte. De aanvraag werd afgewezen omdat hij beschikte over een vermogen dat niet noodzakelijk was voor de bedrijfsvoering en voldoende was om in zijn levensonderhoud te voorzien.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en bepaalde dat appellant opnieuw moest beslissen met inachtneming van het oordeel dat het Bbz 2004 het toetsingskader vormt voor zelfstandigen, waarbij het vermogen alleen relevant is voor de vorm van bijstand. Het bestuursorgaan handhaafde echter de afwijzing, stellende dat het niet-noodzakelijke vermogen het recht op bijstand uitsluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 19 van Pro de WWB onverkort van toepassing blijft op zelfstandigen en dat artikel 3 van Pro het Bbz 2004 niet afwijkt van artikel 11 van Pro de WWB wat betreft het recht op bijstand. Het eigen vermogen omvat ook het voor het bedrijf noodzakelijke vermogen dat niet als vermogen wordt meegeteld bij de beoordeling van het recht op bijstand. Omdat betrokkene over meer vermogen beschikte dan de vrij te laten grens, had hij geen recht op algemene bijstand. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en eerdere besluiten vernietigd.
Uitkomst: De aanvraag van betrokkene om algemene bijstand wordt terecht afgewezen vanwege het bezit van niet-noodzakelijk vermogen boven de vrij te laten grens.