ECLI:NL:CRVB:2013:CA1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding inkomsten uit lening
Appellant ontvangt sinds november 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tussen juli 2009 en augustus 2010 heeft zijn vader wekelijks bedragen overgemaakt op zijn rekening, die appellant niet heeft gemeld aan het dagelijks bestuur. Deze betalingen werden door het bestuur aangemerkt als inkomen, wat leidde tot herziening en gedeeltelijke intrekking van de bijstand over de betreffende periode en terugvordering van ten onrechte ontvangen bedragen.
Appellant voerde aan dat het om leningen ging en overhandigde een akte van geldlening en een verklaring van zijn vader over aflossingsafspraken. De Raad oordeelt echter dat volgens artikel 31 van Pro de WWB ook uit leningen ontvangen gelden tot de middelen behoren waarover de bijstandsgerechtigde redelijkerwijs kan beschikken. Het niet melden van deze inkomsten vormt een schending van de inlichtingenverplichting, waardoor het dagelijks bestuur bevoegd was de bijstand te herzien en terug te vorderen.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde. Ook het bezwaar tegen de verhoging van het terug te vorderen bedrag met loonbelasting wordt verworpen, omdat deze kosten volgens de WWB en de Zorgverzekeringswet behoren tot de terugvorderbare kosten.
Er wordt geen veroordeling in proceskosten uitgesproken. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 juni 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.